Contact: Improvisatie Theater Spelletjes
Je gaat samen aan de slag met theaterspelletjes. Deze oefeningen vragen om samenwerking, improvisatie en creativiteit, zonder dat het (te) spannend wordt. Alles is toegestaan; er zijn geen fouten. Het is belangrijk om dit ook tegen de kinderen te zeggen. Jij bent de spelleider als pedagogisch medewerker en zorgt voor structuur en voor een veilige spelomgeving.
Door de oefeningen te herhalen zal de samenwerking, het contact en het vertrouwen onder de kinderen groeien.
Stap 1: Ga in de kring staan. Geef een korte uitleg: we gaan spellen doen met beweging, theater en samenwerken. Niets is fout, alles is goed!
Stap 2: De regel is dat we van elkaar afblijven, tenzij de opdracht anders aangeeft.
Stap 3: Kies 2 of 3 spelletjes uit, dit zijn kringspellen, iedereen staat. De keuzes staan onder nr 4 t/m nr 9. Daarna ga je door met stap 10.
Stap 4: De spelleider staat in het midden en kijkt een van de kinderen aan. Hij/zij roept "Billybillybop". Het kind moet, voordat de spelleider "Bop" heeft uitgesproken, "Bop" roepen. Lukt dat niet, dan wisselt het kind van plek met de spelleider en mag hij/zij "Billybillyboppen". Zo komen steeds andere kinderen in het midden. Deze oefening helpt de kinderen in te zien dat "falen" niet erg is. Om het faalplezier te vergroten, kan iedereen voor elkaar klappen als het "misgaat".
Stap 5: Dierenspel: De spelleider roept een dier en iedereen mag de bewegingen van dat dier in de kring nadoen. Daarna roept de spelleider een nieuw dier. Het nadoen van een dier kan met of zonder geluid. Geluid maakt het vaak wat onrustiger en vermindert de concentratie, maar verhoogt het speelplezier.
Stap 6: Emotiestandbeelden: De spelleider klapt in zijn/haar handen en roept een emotie. Iedereen mag dan in die emotie gaan staan als een standbeeld. De spelleider kiest een standbeeld uit en wisselt van plek. Vervolgens klapt de spelleider weer in de handen en roept een nieuwe emotie. Dit gaat door. Je kunt deze oefening ook doen met beroepen, gekke bekken of dieren. Tip: Een standbeeld staat stil en kan niet praten. Focus op jezelf! Alles is goed.
Stap 7: Samen een verhaal maken: Iedereen mag één woord zeggen, en zo maken we samen een verhaal. We gaan de volgorde van de kring langs. Onthoud: een verhaal heeft een begin, een midden (waar iets gebeurt), en een einde (meestal een oplossing voor een probleem). Wanneer het einde is bereikt, stopt de spelleider het spel.
Stap 8: Geluidje doorgeven: Een kind maakt een geluidje en kijkt daarbij naar zijn/haar rechterbuur. Die kijkt vervolgens naar zijn/haar rechterbuur en maakt zo goed mogelijk hetzelfde geluidje. Zo gaat het geluid door de kring. Het geluid verandert vaak een beetje onderweg. Het is belangrijk dat de kinderen het geluidje dat zij ontvangen zo goed mogelijk nabootsen, en niet het geluid van bijvoorbeeld 2 of 3 mensen terug. Het is niet de bedoeling dat ze zelf iets toevoegen of veranderen, maar dit kan gebeuren. Laat het gewoon gebeuren.
Stap 9: Whoosh, boing, pauw: Er wordt een geluid doorgegeven in de kring: "Whoosh", met daarbij een zwaaiend armgebaar alsof je een bal rolt, naar de persoon rechts van je. Je maakt oogcontact met de persoon aan wie je het doorgeeft. Zo gaat de "whoosh" de kring rond, eerst rustig en later steeds sneller. Teamwork! Voeg na een tijdje "Boing" toe: als iemand de "whoosh" niet wil ontvangen, kruist hij of zij de armen (met de armen omhoog) voor het lichaam in een afwerend gebaar en zegt "Boing". Het kind dat de "whoosh" wilde doorgeven, moet nu de andere kant op gaan. "Whoosh!" De kinderen moeten nu goed opletten. Voeg daarna "Pauw" toe: je kunt een "Pauw" doorgeven naar de overkant van de kring met een pistoolgebaar. De ontvanger van de "Pauw" gaat verder met "Whoosh" of "Pauw". De concentratie en samenwerking worden hierdoor vergroot.
Stap 10: Kies tot slot 1 spel uit van nr 11 t/m nr 14 : "los van de kring".
Stap 11: Levende Knoop: Maak twee groepjes, met kinderen van ongeveer dezelfde lengte bij elkaar. Laat alle kinderen in hun groepje dicht bij elkaar staan en de handen in de lucht steken. Jij maakt de handen door elkaar vast. Wanneer alle handen vast zijn, moeten ze proberen om, zonder te praten, uit de knoop te komen. Ze komen dan uit in een kring, met handen vast. De handen moeten dus ten alle tijden wel vast blijven en mogen dus niet los. Dit zal wat oefening kosten, want soms zal er een hand loskomen of wordt er toch gepraat. Als spelleider is het handig om extra goed op te letten, ook dat er niet doorgeduwd wordt. Laat de groepjes in eerste instantie om en om spelen, de andere groep kan dan kijken. Als het goed gaat, kunnen twee groepjes tegen elkaar strijden om te zien wie het eerst een mooie kring (met handen vast) vormt en uit de knoop is.
Stap 12: Maak tweetallen. De kinderen mogen elkaar in tweetallen gaan spiegelen. Eerst spreek je af wie de spiegel is en wie volgt. Na een tijdje wisselen ze van rol. En dan... spreek je niks af. Laat het maar gebeuren en kijk wie gaat leiden en wie volgt, en of ze het van elkaar op een natuurlijke manier overnemen.
Stap 13: Kies vier kinderen die voor de groep in een rij mogen gaan staan. De rest van de groep zit als publiek. De vier kinderen staan "in de lift". Als jij klapt, gaat de liftdeur open. De kinderen moeten proberen om in één stap de lift "uit te stappen". Ze mogen elkaar niet aankijken, maar moeten het aanvoelen. Je zult zien wie de leiding neemt en wie volgt, maar ook of ze goed kunnen samenwerken. Ze mogen het twee of drie keer proberen, en rust nemen is een goede tip, het hoeft niet snel. Daarna krijgen ze applaus en mogen vier andere kinderen het proberen. Oefening baart kunst!
Stap 14: Anna-Maria Koekkoek met gekke bekken: Speel het spel Anna-Maria Koekkoek. Naast het stil staan, moeten de kinderen ook een gekke bek trekken. Lukt dat niet? Dan moeten ze terug naar start.
Stap 15: Sluit af met in elkaar in de kring. Laat ze allemaal in 1 woord, en in een emotie (boos, blij, verdrietig of bang) zeggen hoe ze het vonden.
Benodigheden
• Ruimte voor een kring
Variaties
Als spelleider is het belangrijk om goed in te schatten of een oefening bij je groep past. Denk hierbij aan de leeftijd, concentratie en het veiligheidsgevoel van de groep. Je hebt de vrijheid om een oefening aan te passen waar nodig. Wees zelf ook creatief en durf nieuwe dingen uit te proberen.
Durven de kinderen dicht bij elkaar te staan en elkaars handen vast te houden, of is dat misschien nog te spannend? Als dat het geval is, kun je bijvoorbeeld kleinere groepjes, van 3, maken tijdens de "levende knoop". Begin eerst met tweetallen van kinderen die elkaar al kennen. Later kun je ook andere tweetallen maken. Dit zorgt voor een veilig gevoel binnen de groep en geeft ruimte om eerst rustig te oefenen met de opdrachten.
